Unit 2.1

Modale werkwoorden (kunnen)

Introduction

Een modaal werkwoord geeft een bepaalde houding ten opzichte van het werkwoord aan; ze voegen m.a.w. modaliteit toe, zoals mogelijkheid (kunnen), noodzakelijkheid (moeten), wenselijkheid (willen), waarschijnlijkheid (zullen), en het ontbreken van noodzakelijkheid dan wel verplichting (hoeven).

Form

In dit gedeelte zien we het modaal werkwoord ‘kunnen’.

Onderwerp Vorm
ik kan
jij/je/u kan
hij/zij/ze/het kan
wij/we kunnen
jullie kunnen
zij/ze kunnen

Example

Use

Modale werkwoorden

  1. Bij een modaal werkwoord zetten we vaak een ander werkwoord. Het niet-modale werkwoord komt dan achteraan in de zin.
  2. De modale werkwoorden kunnen ook als zelfstandig werkwoord worden gebruikt.
  3. Ook het werkwoord ‘hoeven’ wordt tot de modale werkwoorden gerekend.
  4. ‘willen’, ‘kunnen’ en ‘zullen’ hebben een formele en een informele schrijfwijze bij ‘jij’ en ‘u’. De formele vorm gebruiken we vooral bij het schrijven.
  5. Na ‘hoeven’, ‘kunnen’, ‘moeten’, ‘mogen’, ‘willen’ laten we vaak ‘gaan’ weg als duidelijk is dat we ergens heen gaan.
  6. We gebruiken de modale werkwoorden samen met ‘zou(den)’ voor een beleefde vraag of een beleefd verzoek.

‘Moeten’ en ‘hoeven + te’

  1. Moeten’ gebruiken we om te zeggen dat iets verplicht is.
  2. Als we bij ‘moeten’ ‘geen’, ‘nauwelijks’, ‘nergens’, ‘niet’, ‘niets’, ‘nooit’ willen zetten, gebruiken we het werkwoord ‘hoeven’ met te-infinitief.

Exercises


The exercises are not created yet. If you would like to get involve with their creation, be a contributor.


Licentie

Dutch Grammar A1 Level Copyright © 2018 by books4languages. Alle Rechten Voorbehouden.