Unit 5.1

Persoonlijk voornaamwoord: onderwerp

voornaamwoorden - 2 minutes

Download Download eBook Download ebook

Introduction

Het persoonlijk voornaamwoord maakt deel uit van de voornaamwoorden of pronomina en het kan in de plaats van een zelfstandig naamwoord staan.

We kunnen voornaamwoorden definiëren als een verwijzing naar iets anders dat al dan niet in dezelfde zin wordt genoemd, dan wel verwijst naar een buitentalig element binnen het perspectief van de spreker (een exoforische verwijzing).

We kunnen een voornaamwoord zelfstandig of bijvoeglijk gebruiken.

 

Form

In dit gedeelte hebben we het over het persoonlijk voornaamwoord, meer bepaald over de onderwerpfunctie ervan.

EnkelvoudMet nadrukZonder nadruk
1e pers.ik‘k
2e pers.jij
u
je
u
3e pers.hij
zij
het
ie/die
ze
‘t
MeervoudMet nadrukZonder nadruk
1e pers.wijwe
2e pers.jullie
u
jullie
u
3e pers.zijze

Example

Use

Onderwerp

  1. ‘Ik’, ‘‘k’, ‘jij’, ‘je’, ‘u’, ‘hij’, ‘zij’, ‘ze’, ‘het’, ‘‘t’, ‘wij’, ‘we’, ‘u’, ‘jullie’, ‘zij’ en ‘ze’ gebruiken we als onderwerp van de zin. Ze staan alleen zelfstandig.

Nadruk onderwerp

  1. ‘Ik’, ‘jij’, ‘u’, ‘hij’, ‘zij’, ‘het’, ‘wij’, ‘u’, ‘jullie’ en ‘zij’ worden benadrukt als we twee mensen met elkaar vergelijken.
  2. Ik’, ‘jij’, ‘u’, ‘hij’, ‘zij’, ‘het’, ‘wij’, ‘u’, ‘jullie’ en ‘zij’ krijgen nadruk in een antwoord op een vraag.

Onderwerp 1e persoon

  1. De eerste persoon enkelvoud gebruiken we als iemand over zichzelf spreekt.
  2. De eerste persoon meervoud gebruiken we als iemand over zichzelf en anderen spreekt.

Onderwerp 2e persoon

  1. De tweede persoon enkelvoud gebruiken voor de persoon of het dier waar we tegen praten.
  2. ‘Jij’/’je’ gebruiken we voor vrienden, ouders, kinderen en jongeren.
  3. ‘U’ gebruiken we voor onbekenden en voor personen waar we meneer of mevrouw tegen zeggen.
  4. Jullie’ gebruiken we voor twee of meer personen.
  5. ‘U’ gebruiken we voor twee of meer onbekenden, en personen waar we meneer of mevrouw tegen zeggen.

Onderwerp 3e persoon

  1. ‘Hij’ gebruiken we bij een mannelijke persoon. Hij gebruiken we bij de meeste de-woorden.
  2. ‘Zij’/’ze’ gebruiken we bij een vrouwelijke persoon.
  3. ‘Het’ gebruiken we als onderwerp bij werkwoorden die het weer aanduiden en bij het noemen van tijd.
  4. ‘Het’ staat als onderwerp alleen op de eerste plaats in de zin. In de vraagzin zetten we ‘het’ op de tweede plaats, direct na de persoonsvorm.
  5. ‘Zij’/’ze’ gebruiken we bij meervoudige mannelijke en vrouwelijke personen.
Books4Languages feedback

Licentie

Dutch Grammar A1 Level Copyright © 2018 by books4languages. Alle Rechten Voorbehouden.

Copy link